De eerste dagen in Dhaka zijn een grote belevenis. Ik kijk hier mijn ogen uit en geniet van alles wat ik meemaak. Overal massa’s mensen. Ik ben al op veel plekken in de wereld geweest, maar dit is toch weer heel anders. Misschien lijkt het het meest op India, hoewel ik dat niet kan vergelijken want daar was ik nooit. Wat een drukte en chaos! Riksja’s, CNG’s (dat zijn een soort tuktuks die op gas rijden), bussen, taxi’s en auto’s krioelen kriskras door elkaar. Je hebt stalen zenuwen nodig om je in het verkeer op je gemak te voelen. In auto’s en bussen kun je beter niet vooraan naast de chauffeur zitten. Zeker niet als je de neiging hebt om mee te rijden. Iedereen snijdt elkaar de pas af en je ziet jezelf telkens in een fuik van voertuigen terecht komen. De riksja’s mogen gelukkig niet op de grote doorgaande wegen in de stad, maar de CNG’s wel. Ik voel me er net in een klein blikken koektrommeltje; heel kwetsbaar. Dit is een land met heel veel verkeersslachtoffers. Het is mij volkomen duidelijk waarom!
Het is heel warm hier. Ik begrijp dat het eigenlijk al veel koeler had moeten zijn in deze tijd van het jaar. De moesson is voorbij en met oktober neemt de droge koelere tijd een aanvang. Het is droog, maar de temperatuur is nog niet gedaald. Men noemt ook dit klimaatverandering. Het is boven de 30 graden en de lucht is erg vochtig. Ik loop de hele dag te zweten en drink liters water per dag.
Bij aankomst in Dhaka bleek dat ik deel uitmaak van een groep van 10 VSO’ers: 2 Amerikanen, 2 Phillipino’s, 4 Engelsen, 1 Oegandees en ik. We verblijven allemaal voor een introductieprogramma in Dhaka alvorens naar onze standplaatsen te vertrekken. Ik ben de enige die voor een korte uitzending komt en zal daarom korter, 2 of 3 weken, in Dhaka blijven. De andere blijven hier minstens 4 weken. De groep is leuk en gevarieerd. Ik herken onmiddellijk de prettige mentaliteit van VSO’ers met elkaar: grote onderlinge solidariteit, positieve instelling en altijd veel lachen met elkaar.
We zijn ondergebracht in verschillende appartementen, dicht in de buurt van het VSO Programme Office. Ik zit samen met Engelse Laura in het huis van Philippijnse VSO’ster Elly, die hier al een hele tijd zit. Een ruim appartement waar anderen jaloers op zijn. Toen ik hier de eerste keer binnenkwam vond ik het niet zo schoon en leek mij alles nogal armoedig. Het is gewoon een heel andere standaard dan wat wij gewend zijn in Nederland. Het kostte me een dag om om te schakelen. Het was overigens wel handig om gelijk de eerste dag de klusjesman van VSO enkele dingen te laten repareren: mijn bed staat nu niet meer op instorten en de WC kan weer doorgetrokken worden. Koken doen we op een tweepits gasstel en er is een koelkast. Er is stromend water en electriciteit, hoewel die geregeld een uur of zo uit valt. Op dit moment zit ik in het donker achter mijn lichtgevende laptopscherm te werken. We hebben alles wat je echt nodig hebt. En dat is heel wat minder dan wat we in Nederland in huis hebben. En er zijn hier, hoe dan ook, veel minder insecten dan wat ik in Mozambique gewend was. Dat is erg prettig. Natuurlijk struikel je wel af en toe over een kakkerlak; maar je bent een kniesoor als je daarover zeurt. Het hoort bij een heet en vochtig klimaat.
Het Programme Office is het vaste punt van samenkomst. Er is een bibliotheek met 2 computers, waar we gebruik van kunnen maken zoveel we willen. Er is een prettige ruime frisse, lichte zaal voor de bijeenkomsten. Bij binnenkomst doen we de schoenen uit, want er ligt vloerbedekking. Dat is hier zo de gewoonte. We lunchen op kantoor op doordeweekse dagen. Tot nu toe is alles vegetarisch; schotels met pittige groenten, rijst en dahl (een saus van linzen). De Bengaalse keuken bevalt me wel; veel kruiden, heet, lekkere yoghurts. Niet alles is overigens lekker; vandaag had ik een glas groenige yoghurt, wat heel heet was met een niet definieerbare smaak. Ik laat niet vaak iets staan, maar dit vond ik echt vies. Op kantoor eet iedereen met de handen; dat had ik niet verwacht. Maar wie weet, misschien doe ik het zelf over een tijdje ook.
Belangrijk onderdeel van de introductie is de taalcursus Bangla. Deze wordt gegeven op een taleninstituut aan de andere kant van de stad. Deze week zijn we daar nog heen gebracht met het busje van VSO, maar vanaf morgen gaan we er op eigen gelegenheid met riksja’s. De eerste les was een openbaring voor mij. Ik had in Rotterdam al iets gedaan met een digitale cursus, maar ik kom er hier achter dat ik vooral hindu heb geleerd. We zijn gestart met het onder de knie krijgen van de uitspraak van klinkers en de medeklinkers. We doen niet het hele alfabet, want dat is met zijn 11 klinkers en 39 medeklinkers voor beginnelingen niet haalbaar. We doen er 7 en 28. De cursus is heel praktisch en gericht op snel leren je te handhaven. We hebben al geleerd hoe we ons met een riksjarijder kunnen redden. Je moet tenslotte kunnen zeggen waar hij heen moet, en er aan uit kunnen komen hoeveel het kost en zo. Het afdingen voor je in een riksja of CNG stapt is een belevenis op zich. Met de brandende zon op je hoofd en de stralen zweetdruppels over heel je lijf wordt je uithoudingsvermogen danig op de proef gesteld. Het kost tijd om een prijs te bedingen die niet al te veel boven het gemiddelde uitstijgt.
