Drie weken heb ik niets van me laten horen. Het had misschien gekund in Nairobi, maar daar was ik net op zondag en er was nergens internetverbinding. Dat schijnt wel vaker zo te zijn op zondag. In Nairobi heb ik de Baobab truck verlaten en ben alleen verder gegaan. Nu zit ik in Moshi, aan de voet van de Kilimanjaro in Tanzania: Afrika’s hoogste berg. Ik ga hem niet beklimmen, want mijn conditie is op dit moment niet optimaal. Bovendien moet je hier een vermogen betalen voor zo’n klim. Moshi is een aangenaam plaatsje waar ik even kan bijkomen van een paar intensieve weken en een beginnende bronchitis. Ik heb net een simcard gekocht voor mijn smartphone, maar daar kan ik nu helaas niet bij omdat ik mijn rugzakje afgesloten heb met een hangslotje en dat ding krijg ik niet meer open! Hoop dat probleempje vandaag nog op te lossen (ik heb het later op de dag door een smid door laten zagen). Zo is er altijd wel iets onverwachts wat tegen zit……
Mijn laatste bericht verzond ik vlak voor nieuwjaar.
Oud en nieuw vierden we op de campsite in Arba Minch, met uitzicht op een meer met krokodillen en hipo’s. De knobbelzwijnen liepen er langs de tenten te snuffelen. Helemaal in Hollandse stijl hebben we daar de hele avond oliebollen staan bakken en mango beignets (bij gebrek aan appels, maar ook bijzonder lekker). Dit deed me echt denken aan mijn oudjaar ’97-’98 bij de Iguazu falls in Brazilie, waar ik me met de Ashraf groep bezighield met appel beignets bakken in de bloedhitte. En het is weer eens wat anders dan de dagelijkse injera.
Reizen door Zuid Ethiopie en Noord Kenia is heel bijzonder, maar vermoeiend. Er zijn op een gegeven moment alleen nog maar zandwegen, doornenstruiken, kamelen en veel stof. Over het algemeen reden we niet harder dan 20 km per uur. In Zuid Ethiopie zijn we in de Omo vallei bij de Konzo, de Hamar en de Mursi stam geweest. In Noord Kenia bij de El Molo, de Turkana en de Samburu. Het zijn allemaal veehoeders, die met grote kuddes koeien rondtrekken. De ene stam is al kleurrijker dan de ander: uitgedost met veren, speren en veel kralen, kettingen en armbanden. Ze zijn niet allemaal even toegankelijk of blij met een paar witneuzen. Ons verblijf bij de Hamar vond ik veruit het geslaagdst. We hebben er in een dorpje van de Hamar gekampeerd. Dat is je tent open doen en tegen een rij nieuwsgierige meisjes in geitenvellen aankijken; en eten bij de truck met een groep van zeker 60 man om je heen die tot in detail volgen wat je aan het doen bent. Zij kijken naar ons en wij naar hen; eigenlijk wel in evenwicht. Bij de Hamer hebben we een hele dag feesten en rituelen meegemaakt o.a. het bull-jumpen. Onderdeel van de initiatierite van 15 jarige jongens naar volwassenheid is dat ze hun kracht en mannelijkheid moeten bewijzen door over de ruggen van een rij stieren te lopen. Die stieren worden aan de ene kant bij hun staarten vastgehouden en aan de andere kant bij de horens. Na een lange middag van tromgeroffel, drinken van liters zelfgestookt bier, uitzinnig dansen en zwaaien met kalashnikofs, lieten de (inmiddels dronken) vrouwen zich kastijden door de jongens met zweepslagen op de blote ruggen; tot bloedens toe. Sommige jongens leken er niet zo veel zin in te hebben, maar het was duidelijk dat ze het moesten doen. Zij waren nog helemaal nuchter, zelfs bedeesd, terwijl alle vrouwen om hen heen hen woest uitdaagden. De jongens zagen er prachtig uit en maakten elkaar extra mooi met het beschilderen van elkaars gezichten. De Hamar hebben een typiese haardracht: ze maken een papje van rode oker met boter waarmee ze strakke strengen op het hoofd maken. Door hitte en zweet loopt die rode oker op een gegeven moment het hele lijf over.
Dat ziet er woest uit. Nadat een jongen ritueel in trance gebracht was was het eindelijk tijd voor het bull jumpen. Hij werd in zijn blootje voor een rij stieren gebracht. Een gewichtig moment. Bijna probleemloos rende hij over de stieren heen. Niet één keer, maar wel een keer of tien. Echt een man! En toen was het donker en ging ieder zijns weegs….
Dat we zoiets meegemaakt hebben lijkt me heel uitzonderlijk. Ik had er wel eens een filmpje van gezien maar dacht dat deze rituelen allang tot het verleden behoorde. Niet dus.
Na de Hamer gingen we langs de Mursi; met de schoteltjes in de onderlip. Deze stam was ons duidelijk minder gunstig gezind. Het leek wel boosaardigheid dat de vrouwen de schotels uit hun lippen deden. Met als resultaat een onsmakelijk loshangend stuk vel.
Vanaf Yabelo in Zuid Ethiopie kregen we verplicht 2 militairen met geweren aan boord van de truck om onze veiligheid te garanden (!). Je vraagt je af of dit echt nodig is, maar toch, we hoorden over 2 mensen die de vorige dag uit een bus waren gehaald en gedood en over 40 militairen die een paar weken geleden waren gedood…… Als buitenstaander is het altijd moeilijk te beoordelen. Tot Maralal in Kenia hebben we militairen aan boord gehad. Die sliepen ook bij ons in tentjes en aten ook mee. Soms waren ze inderdaad echt op hun hoede. In dit hele gebied zijn er geregeld gevechten tussen diverse stammen over vee. En tja iedereen loopt er met kalashnikovs rond, dus dat kan goed fout gaan. Inmiddels hadden we ook een kok aan boord: in Ethiopie een Ethiopier en in Kenia een Keniaan. Dat was wel prettig. Zo was er altijd snel een aangenaam geïmproviseerd ontbijt, een lunch en een avondmaaltijd. Als we dan ook nog hier een daar een lokale gids meenamen in de truck waren we als reizigers nog net niet in de minderheid (sic!).
Via Marsabit (regen!) en het bloedhete dorre North Hor trokken we door de Chalbi woestijn naar het Turkana meer,waar het water groenig kleurt door de fluor en waar het altijd hard waait ’s nachts. Het is het leefgebied van de Elmolo. Daar sliepen we niet in onze tenten maar in hutjes. Vanwege de hitte ben ik op mijn matrasje buiten gaan liggen, maar daar woei ik zowat met matje en al het meer in. Het zijn in ieder geval streken waar weinig toeristen komen. Afgelopen jaar 30, hoorden we. Nou, daar ken ik er dan toch al 4 van!!!
Echt toeristisch was het Samburu National Parc, waar we een gezellige basic campsite hadden. Met onze eigen truck zijn we er 3x op gamedrive geweest. En we hebben er van alles aan wild gezien: leeuwinnen, een hyena met haar kleintjes, olifanten, veel giraffen, impala’s, gerenuks, gemsbokken, zebra’s etc.
Ik bleef me echter verbazen over die fraai uitgedoste Samburu jongens met hun speren en stokken. Tussen hun 15de en 30ste zijn zij ‘ krijgers’ en moeten ‘ beschikbaar’ zijn, maar eigenlijk hoeven ze niks te doen. Zij lopen alleen maar mooi te zijn. Pas op hun 30ste zijn ze volwassen.
Tot slot zijn we via Mount Kenia richting Nairobi gegaan. Nairobi zelf is niet veel aan. Gewoon een grote stad waar je extreem op je hoede moet zijn voor zakkenrollers en dergelijke. Niet fijn.
Vanaf hier ga ik door naar Dar es Salaam. Even een paar daagjes Zanzibar meepikken lijkt me ook lekker en dan wil ik de trein nemen naar Zambia. Dat moet een leuke belevenis zijn. Twee dagen en nachten Tanzania door en op die manier tevens wat wildparken meepikken. Zoals ik er nu tegen aan kijk zal ik terug vliegen vanuit Lusaka in Zambia.
Het is lekker dat ik nog geen terugvlucht geboekt heb want zo blijf ik flexibel in mijn planning. Reizen met een groep heeft leuke kanten en voordelen. Het is echter niet alleen gezelllig; zeker op zo’n reis waarvan sommige mensen 5 maanden onderweg zijn, moet je wat irritaties en spanningen op de koop toe nemen. De reisleider van Baobab wilde er
zelfs de brui aan geven, maar blijft toch nog even, geloof ik. Ik vind het fijn om weer even op mezelf te zijn. Zo kan ik b.v. vandaag gewoon een extra dag hier blijven om te internetten en niks bijzonders te doen. Dat heeft een mens af en toe ook nodig.







































