Ik ben al weer een paar dagen thuis en heb het echt nodig gehad om bij te komen. Ik voelde me moe tot in al mijn b
otten en kreeg dan ook prompt koorts. Inmiddels begin ik wat uitgerust te raken. Op de k
ast prijkt mijn Credencial, vol met stempels die ik onderweg verzameld heb en mijn Compostella: de oorkonde die ik in Santiago gekregen heb. Ik heb meer dan 800 kilometer gelopen in 34 dagen met daartussen slechts 2 dagen van niet-lopen (waarin ik overigens ziek was). Soms liep ik meer dan 30 kilometer, maar er waren ook dagen van nog geen 20. Met een gemiddelde van 24 kilometer per dag is het wel ongeveer wat ik van tevoren bedacht had. Hoeveel kilometer ik exact gelopen heb weet ik niet; de getallen op bordjes, folders en in boekjes zijn niet hetzelfde. Het bord met 2600 km naar Santiago staat in den Bosch. Ik heb daarvan dus het eerste (den
Bosch – Visé) én het laatste stuk gelopen (St. Jean Pied de Port – Santiago). Rest dus zeker nog 1500 km! Ik weet n
iet of ik dat nog ga doen. Misschien wil ik nog wel een andere aanlooproute naar Santiago lopen. Er zijn veel interessante, en wellicht ook mooiere, paden. Ik neem de winter om er over na te denken….
Over de tocht die ik nu gedaan heb is uiteraard nog heel wat meer te vertellen dan wat ik gedaan heb op de weblog. Het onderweg schrijven in internetcafés is meestal haastgedrag. Ik zit daar niet zo rustig als thuis achter mijn eigen pc. Het was een bijzondere belevenis, dat is zeker. Maar het is toch niet simpel om aan te geven wat nu allemaal zo bijzonder was. Ik had me goed voorbereid, en toch was het anders. Sommige dingen laten zich
vanuit een luie stoel thuis moeilijk beoordelen. Zo had ik van tevoren heus bedacht dat het verstandig en leuk zou zijn om om de paar dagen een rustdag in te lassen; m.n. in de grote steden. Toch heb ik dat niet gedaan. Eenmaal op pad werd ik onderdeel van het proces der dingen die zich op de Camino afspelen. Als je eenmaal leuke mensen bent tegen gekomen laat je je gemakkelijk verleiden om de dag er op door te lopen omdat zij dat ook doen. Het is een heel eigen wereldje wat zich daar afspeelt. De rest van de wereld lijkt helemaal niet meer te bestaan; het nieuws en de kranten zijn heel ver weg. Eigenlijk was ik vooral bezig met genieten van het buiten zijn, alleen én met anderen, en het dagelijks overleven: bedenken waar ik naar toe ging, waar ik moest slapen en eten en zorgen dat ik mijn rust kon pakken. Je slaapt bijna overal op zalen in stapelbedden; jong, oud, man, vrouw, alles door elkaar. Meestal was ik te moe om wakker te liggen van het geronk en gesnurk om me heen…… Al snel kreeg het leven een vast ritme: vertrekken voor zonsopgang, onderweg zoeken naar een kop koffie met een bocadillo, de zorg om voor het heetst van de dag aan te komen, bed regelen, douchen, wasje doen en ophangen zodat het nog diezelfde droog is, middagdutje doen, wat fruit ed. in een tienda halen, en ’s avonds ergens een menu del peregrino scoren. Ik vond het overigens lastig dat tussen half 2 en half 6 alles dicht is. Tot iets van half 4 kun je warm eten in Spanje, maar ik was meestal te laat daarvoor, en daarna kun je pas weer na 8 uur ’s avonds terecht. Voor de gemiddelde loper erg laat, want daarna ga je gelijk slapen. In sommige dorpen hadden ze daar kennelijk lering uit getrokken en kon je al om 7 uur eten. De stelregel in de refugio’s is dat je er één nacht mag slapen. Je moet uiterlijk om 8.00 uur ’s ochtends weg zijn. Dat houdt het pelgrimsgedrag lekker aan de gang. Voor overnachting in een refugio doet het er niet toe of je veel of weinig kilometers hebt gelopen. Sommige mensen zijn echter bang dat ze geen slaapplek hebben als ze laat arriveren. Dat is inderdaad een risico als het erg druk is. Er zijn dus altijd mensen die al om 5 uur ’s ochtends vertrekken om zodoende tijdig aan te komen op de volgende bestemming. Dit zijn dan tevens de mensen die nog wel eens verdwalen. In het pikkedonker zie ik immers ook niet waar er allemaal gele pijltjes staan die ik moet volgen. Iedereen heeft zo zijn eigen motieven waarom hij op pad is maar velen proberen het pelgrimsidee te benaderen. Dan gaat het niet alleen om het dagelijks ritme van op pad zijn voor zonsopgang, maar ook om het je laten inspireren door omgeving en mensen en je niet laten beperken door lichamelijk leed. Ik heb mensen gezien met bloedende voeten waar bijna geen vel meer op zat en toch liepen ze de volgende dag weer verder, strompelend en zich bij elke stap verbijtend. De sfeer onder elkaar is tolerant en aardig vanuit een besef dat een ieder het wel echt zelf moet maken. Iedereen gaat voor hetzelfde doel en dat schept een band. Ik heb in al die tijd geen geruzie gezien. Alles draait om het pelgrimeren. Op de hele route vindt je gele pijlen die de pelgrims de weg moeten wijzen, alsook duizenden paaltjes of bordjes met de Jacobsschelp, honderden pelgrimskruizen, tientallen monumenten ter ere van de heilige Jacobus. En overal kom je langs oude kerkjes en pelgrimsoorden; uit de 11de eeuw, de 12de eeuw of wat jonger. Ik heb nog nooit in zo’n korte tijd zoveel grote en kleine kerken bekeken. Mooie stijlvolle romaanse kerkjes, maar ook overdadig protserige barok en gothiek. Wat de Spanjaarden indertijd deden met het van de Inca’s gestolen goud is me wel duidelijk geworden! De apostel Jacobus kom je in diverse gedaantes tegen. Meestal als een loper met wandelstok en waterzak maar ook wel als ‘morendoder’. De pelgrimstocht trok een christelijke lijn in noord Spanje tegen de tot in de 13de eeuw heersende Moren in Spanje. Ik ben door 3 regio’s gelopen: Navarra, Castilla y Leon en Gallicia. Ik weet nog steeds niet goed wat de betekenis is van de regio’s (in relatie tot de provincies), maar heb nu in ieder geval in beeld dat er grote regionale verschillen zijn. In Castilla y Leon wordt strijd gevoerd voor het losmaken van Leon; op heel de Meseta zie je graffiti gericht op "de bevrijding" van Leon. De dorpjes op de Meseta zien er armoedig uit; er wonen praktisch geen mensen meer; hoe pittoresk een plaatsje ook is; als er weinig bron van inkomsten is laat de trek naar de stad zich gemakkelijk verklaren. Sommige dorpen veranderen in verlaten spookplaatsen. Soms zie je dat er met veel krachtsinspanning gepoogd wordt om historisch erfgoed te behouden, zoals in Castrojeriz. Kerken worden musea waarvoor je intree moet betalen en eigenlijk wordt zo’n heel dorp langzamerhand één groot museum. Nu maar hopen dat er wat mensen langs komen. Pelgrims zorgen
hier en daar voor een welkome inkomstenbron. Al die mensen moeten immers eten, drinken en slapen, maar pelgrims zijn geen toeristen en besteden gemiddeld niet zo veel. Ik was verbaasd dat je in elk klein cafe in elk klein dorp tenminste een goede koffiemachine aantrof voor altijd weer de heerlijkste café con leche met een lekkere verse bocadillo (broodje). Overal kon je een 3 gangen pelgrimsmenu krijgen voor rond de 9 x80 incl. wijn
en brood. Ik begrijp dat het aantal refugio’s of albergues de laatste jaren ook flink is uitgebreid. Je hebt ze dan ook in alle soorten en maten: publieke en private, grote en kleine, plaatsen waar je een vast bedrag betaalt en plaatsen waar je een donatie geeft, soms kun je er wat eten maar meestal niet. Meestal is er wel een keuken waar je zelf eten kunt bereiden, als je dat wilt. Zie hieronder een kleine collage van verschillende refugios.









